San Quitín de Mediona
![]() | |
![]() |
De travertine van San Quintín de Mediona in de Spaanse provincie Barcelona vertoont over een afstand van 2 km een rijke schakering aan vindplaatsen uit de Steentijd. Op de locaties Mediona I, La Canyada, Can Costella en La Boria werden tussen 1987 en 1997 nederzettingen uit de midden-paleolitische periode door middel van opgravingen onderzocht.
De bewoning van het dal van San Quintín de Mediona ten tijde van het midden-paleoliticum is archeologisch terug te voeren tot de periode tussen 90.000 en 80.000 jaar geleden, waarin zich als gevolg van erosies van de grote marmerruggen, die dwars op het dal stonden, in de flanken van het dal kleine grotten hadden gevormd. De mensen woonden op de sedimenthellingen in de directe nabijheid van de rivier of kleine waterbasins. In Can Costella bevindt zich nog een nederzetting uit de eindfase van isotopenschaal 5.
In Mediona I bevinden zich tenminste zeven lagen van nederzettingen, beginnend in isotopenschaal 5 en reikend tot in schaal 4 of zelfs verder. De volgorde van de sedimentlagen, die uit lössgrond bestaan, maakt de late datering van de bovenste laag in een koude klimaatfase aannemelijk. Naast stenen artefacten en jachtresten kon men vuurplaatsen en andere elementen van bewoning herkennen. ESR-dateringen van verbrande vuurstenen toonden aan, dat de onderste bewoning van Mediona I tussen 84.000 en 62.000 jaar oud moet zijn. Onduidelijk is nog de leeftijd van de nederzetting in La Boria. Hier is duidelijk de invloed van de menselijke bewoning op de vorming van het travertin te zien. Men woonde op zandbanken van voormalige waterbekkens. 40.000 jaar geleden zette een nieuwe erosie in, die zorgde voor verdere verdieping van het dal met 15 meter; op dit tijdstip breekt het bewijs voor menselijke bewoning af. Pas uit het holoceen zijn weer archeologische sporen van menselijke nederzettingen in het dal te vinden.
De onderzoeken werden uitgevoerd in samenwerking met Universitat Autònoma in Barcelona, de werkgroep Archeobiologie van de universiteit Tübingen, het Instituut voor Geografie en Geo-ecologie van de universiteit Karlsruhe en DAI Madrid. Het project werd gefinancieerd door het Duitse Onderzoeks Instituut. De analyse van de onderzoekresultaten wordt voortgezet.



















